taxonomielevenscyclussprinkhanengeluidecologienatuurbeheer
ecologie

 

Belangrijke voorwaarden voor het voorkomen van sprinkhanen (en krekels) zijn het micro-klimaat (voor bestendige populaties) en de ecologische infrastructuur (voor goede verbreidingsmogelijkheden). Wat het micro-klimaat betreft zijn de meeste soorten nogal veeleisend inzake licht, temperatuur en vochtigheid van hun omgeving, die o.a. door de structuur van de plantengroei beïnvloed worden. Het beheer van het terrein bepaalt in grote mate deze factoren.

Abiotische factoren

De milieu-omstandigheden in een bepaald terrein bepalen of een soort er kan voorkomen of niet. De droogte van een terrein speelt een grote rol. Nymfen en imago’s van soorten van droge en warme biotopen zullen hun verdamping moeten kunnen beperken om een droge, zonnige dag door te komen, zeker als het voedsel ook al niet veel water bevat. Ook de eieren hebben tolerantie-grenzen voor droogte. Hoewel de beschikbaarheid van water voor sprinkhanen en krekels erg belangrijk is, kleven er ook nadelen aan vochtige omstandigheden. Zo is er een grote invloed op de warmtehuishouding: vochtige plaatsen warmen minder snel op, waardoor de tolerantiegrenzen voor lage temperaturen kunnen worden overschreden. Het overschrijden van een tolerantiegrens betekent dat een populatie niet meer kan overleven. Bovendien zijn onder vochtige omstandigheden de kansen op (schimmel)infecties van eieren, nymfen en imago’s groter. Langdurige perioden met relatief koud weer (lage temperaturen) hebben tot gevolg dat alle processen bij nymfen en imago’s zeer traag verlopen of stilstaan. Dat heeft grote gevolgen voor de activiteit, voedselopname, groei en eiproduktie. Breekt de zon door, dan gaan de dieren in het algemeen zelf zoeken naar beschutte plekken die bij een geringe zoninstraling al snel opwarmen. Bovendien kunnen de meeste soorten actief zonnen: ze richten een zijde van hun lichaam op de zon en houden hun achterpoten zodanig, dat ze zo veel mogelijk stralingswarmte opvangen. Hun lichaamstemperatuur kan zodoende 5-10°C hoger komen te liggen dan de omgevingstemperatuur. Dat stralingswarmte een grote rol kan spelen bij de ontwikkeling van populaties is o.a. waargenomen bij de Veldkrekel, waarvan populaties na normale en koele zomers sterk af blijken te nemen. Temperaturen van enkele graden onder nul kunnen dodelijk zijn voor nymfen en imago’s. In tegenstelling tot nymfen en imago’s kunnen eieren van diverse sabelsprinkhanen strenge vorst overleven. Hoge temperaturen zijn schadelijk voor nymfen en imago’s, niet alleen door beschadiging van weefsels, maar ook door een sterkere verdamping en een daardoor verhoogde kans op uitdroging. De voorkeurstemperatuur voor diverse soorten blijkt tussen 32 en 42°C te liggen. Ook de eieren zijn gevoelig voor lange perioden met hoge temperaturen. De structurele eigenschappen van de bodem zijn van groot belang voor ondergronds levende soorten als de veenmol en de veldkrekel. De bodem kan echter ook een belangrijke bepalende factor zijn voor het microklimaat. Droge, waterdoorlatende bodems warmen sneller op dan natte, vochthoudende bodems. Of er een strooisel- of humuslaag op de bodem aanwezig is bepaalt ook voor een groot deel de microklimatologische eigenschappen. Een groot deel van de sprinkhanen en krekels legt de eieren in of op de bodem (incl. strooisel en dood hout). Diverse soorten blijken daarbij een voorkeur te hebben voor bepaalde bodemeigenschappen, zoals de hoeveelheid bodembedekking (strooisel en vegetatie) en vochtigheid. Er is weinig bekend over chemische verbindingen die het voorkomen van sprinkhanen en krekels kunnen beïnvloeden. Toch weten we bv. dat de afwezigheid van sprinkhanen in zwaar bemeste graslanden deels te wijten is aan de giftigheid van stoffen uit de mest. Bij organische bemesting gaat het met name om het uit de mest vrijkomende ammoniakgas. Dit beïnvloedt het afzetten van eieren negatief.

Biotische factoren

Voedsel is meestal geen beperkende factor voor het voorkomen van sprinkhanen. Sprinkhanen lijken in het algemeen niet aan bepaalde specifieke plantesoorten gebonden. Veldsprinkhanen eten allerlei grassen en kruiden, terwijl sabelsprinkhanen en krekels plantaardig en/of dierlijk voedsel tot zich nemen. De vegetatiestructuur is sterk bepalend voor het microklimaat. In dichte en hoge vegetaties is het microklimaat in het algemeen koeler en vochtiger en worden fluctuaties gedempt. In open, lage vegetaties is het klimaat in het algemeen warmer en droger en zijn fluctuaties groter. Ook de aanwezigheid van een moslaag of strooisellaag heeft grote invloed op het microklimaat. De vegetatiestructuur is daarnaast ook het medium waarin nymfen en imago’s zich bewegen voor hun essentiële levensverrichtingen zoals voedselvergaring en eileg. Soortspecifieke bewegingspatronen kunnen de verspreiding beperken tot die plaatsen in de vegetatie, waaraan de individuen van een soort het meest zijn aangepast. Sprinkhanen kunnen worden ingedeeld naar hun plaats binnen de vegetatiestructuur. Fytofiele (= plantbewonende) soorten zoals de krasser, ratelaar, snortikker,… kunnen uitstekend langs verticale structuren omhoog en omlaag klimmen, maar houden zich op op horizontale structuren. Daartegenover staan de geofiele soorten zoals de blauwvleugelsprinkhaan en het knopsprietje. Deze soorten kunnen slecht klimmen en hebben meestal een bij de kale bodem horende kleur en tekening. Met betrekking tot de ruimteweerstand maken we eveneens een onderscheid in soorten van kale bodem (knopsprietje), soorten van kort en ijl gras (snortikker), soorten van korte en grazige vegetaties (lichtgroene sabelsprinkhaan) en soorten van lang gras en ruigten (bramensprinkhaan).

Natuurlijke vijanden

Gekende insecteneters die ook wel eens een sprinkhaantje lusten zijn verscheidene vogels, zoogdieren, reptielen en amfibieën. Een vogelsoort die zich uitsluitend met sprinkhanen voedt is de Scharrelaar. De torenvalk jaagt onder meer op sabelsprinkhanen. De mol rekent veenmollen tot zijn menu. Sommige insecten zijn gespecialiseerd op rechtvleugeligen. Bepaalde parasietvliegen (sluipvliegen, Tachinidae) leggen hun eitjes op jonge en volwassen sprinkhanen. De vliegenlarven voeden zich met het inwendige van de sprinkhaan. De larven van de wolzwever (Bombyliidae) Thyridanthrax fenestratus – waarbij de vleugels gedeeltelijk zwart gekleurd zijn – voeden zich met rupsen en sprinkhanen. De volwassen wijfjes zetten de eitjes af in de nabijheid van de plaatsen waar sprinkhanen hun eitjes afzetten. De larven voeden zich met de sprinkhaneneitjes. Graafwespen van het geslacht Tachysphex vangen sprinkhanen als voedsel voor hun larven. Zowel de webbouwende spinnen als de bodemactieve wolfsspinnen lusten eveneens wel eens een (kleine) sprinkhaan. Ook aaltjes (nematoden of ronde wormen) veroorzaken langzaam maar zeker de dood van menig veldsprinkhaan. Dode sprinkhanen die als versteend in een grashalm hangen zijn aangetast door de schimmel Entomophthora grylli. De dode dieren hangen meestal hoog in een grasstengel met als doel een optimale verspreiding van de schimmelsporen te bewerkstelligen.

Concurrentie

Concurrentie tussen verschillende soorten is in veldsituaties nooit aangetoond. Concurrentie tussen soortgenoten werd in het veld wel aangetoond voor de bruine sprinkhaan. Bij lage populatiedichtheden bleken de eipaketten van vrouwtjes die weinig eipaketten legden meer eieren per eipakket te bevatten dan de paketten van vrouwtjes die er meer legden. Bij hoge dichtheden werd deze compensatie van een trage produktie van eipaketten door een groter aantal eieren per pakket niet gevonden.

Verbreidingsvermogen

De kennis over het verbreidingsvermogen van afzonderlijke soorten is versnipperd. Er is meestal een groot verschil tussen de verplaatsingen waartoe soorten in staat zijn en de verplaatsingen die in werkelijkheid plaatsvinden. In het algemeen lijkt het dat mannetjes een grotere afstand kunnen overbruggen dan vrouwtjes, hetgeen de kolonisatiemogelijkheden beperkt. Doordat vrouwtjes veel moeten investeren in het aanmaken van eieren hebben ze minder energie voor de aanmaak van vliegspieren over. Veldonderzoek wijst uit dat bv. de bruine sprinkhaan en ratelaar zich over enkele tot tientallen meters kunnen verplaatsen binnen enige tientallen dagen. Bij de kolonisatie van nieuw ontstane biotopen blijkt dat langvleugelige soorten zich gemakkelijker verbreiden dan kortvleugelige soorten. Voor de kortvleugelige gouden sprinkhaan werd aangetoond dat in een merk-terugvangstperiode van ca 1 maand 6 mannetjes (van de 472 gemerkte exemplaren) en 2 vrouwtjes (van de 519 gemerkte exemplaren) in staat waren een 10 m brede aanvoerweg (met 10 m brede maaistroken aan weerszijden) over te steken. De soort slaagde er helemaal niet in een 50 m brede snelweg over te steken. Bij bepaalde soorten komen zowel langvleugelige (macroptere) als kortvleugelige (brachyptere) exemplaren voor. Het verband tussen macropterie en verbreidingsvermogen is met name bij de krasser uitgebreid onderzocht.

Macropterie lijkt een functie te hebben bij het voorkomen van overbevolking. Bij langvleugelige dieren is de eiproduktie lager en vertraagd en bovendien kunnen de dieren beter vliegen en zijn ook meer geneigd om het gebied te verlaten.

Ecologische infrastructuur

Naast het verbreidingsvermogen van de soort is ook de ruimtelijke rangschikking van de biotopen van belang voor het handhaven van populaties. De mate van isolatie van geschikte biotopen en het verbreidingsvermogen van soorten bepalen grotendeels of soorten er zich handhaven (door regelmatige ‘import’ van elders) en of soorten er na het uitsterven kunnen terugkeren (herkolonisatie). In het versnipperde cultuurlandschap van Nederland (en Vlaanderen) doet zich waarschijnlijk vaak een situatie voor, waarbij bestendige populaties in bepaalde grote (kern)gebieden voorkomen, van waaruit de omliggende kleine en minder optimaal ontwikkelde terreinen bevolkt of aangevuld kunnen worden. Ook de biotopen die geen populaties van een soort kunnen herbergen kunnen een belangrijke functie in de ecologische infrastructuur vervullen. Sommige hiervan kunnen functioneren als barrière (bv. grote wateren), terwijl andere juist zeer geschikt zijn om te worden doorkruist door nymfen en imago’s.

Naar: Thys N., 2002. Sprinkhanen & Co. Natuurpunt Educatie, Turnhout, 75 p.