taxonomielevenscyclussprinkhanengeluidecologienatuurbeheer
sprinkhanengeluid

Productie en opvangen van geluid

Sprinkhanen bezitten een zogenaamd stridulatie-apparaat om geluid te maken en bovendien goed ontwikkelde organen om geluid te horen. De meeste soorten hebben een unieke zang, die te onderscheiden is van die van andere soorten. Individuen van een soort produceren onder dezelfde omstandigheden in principe hetzelfde geluid. Bij nadere beschouwing klinkt ieder individu toch net weer iets anders dan andere individuen van dezelfde soort. Deze variatie in de zang is voor onze oren echter lang niet zo duidelijk als wij die van vogels kennen. De zang verandert lichtjes met de temperatuur: een lagere temperatuur maakt dat de zang langzamer klinkt. Het stridulatie-apparaat bestaat uit een rij tandjes of fijne richels, de rasp, en een richel, het plectrum. Bij de stridulatie bewegen de rasp en het plectrum langs elkaar, zodanig dat het plectrum de tandjes van de rasp aantikt. Bij de meeste soorten fungeren de vleugels als klankkast: ze versterken het geluid en geven het een bepaalde klankkleur. De dichtheid van tandjes op de rasp en de snelheid waarmee wordt geraspt bepalen mede de klank. Mannetjes van veldsprinkhanen produceren geluid door met de (richels op de) linker achterpoot langs (het plectrum op) de linker voorvleugel en met de rechter achterpoot langs de rechter voorvleugel te strijken. Dit stridulatie-apparaat is meestal bij beide seksen aanwezig. Nochtans maken wijfjes slechts zelden geluid. Door verschillende manieren van bewegen kunnen zowel krassende, sissende als tikkende geluiden worden geproduceerd. De linker- en de rechterpoot kunnen een verschillend geluid voortbrengen. Doornsprinkhanen produceren geen geluid.Mannetjes van sabelsprinkhanen produceren geluid door beide vleugels over mekaar te bewegen. Op de onderzijde van de linker voorvleugel bevindt zich een sterk verdikte dwarsader met aan de onderkant daarvan een rij dwarse tandjes (rasp). Het plectrum – een speciaal hiervoor aangepaste vleugelader - zit op de bovenzijde van de rechter voorvleugel. De vleugels met rasp en plectrum worden meestal heel snel over elkaar heen gestreken en produceren zo geluid. Bij de mannelijke krekels bevindt de rasp zich op de onderzijde van de rechter voorveugel en het plectrum op de bovenzijde van de linker voorvleugel.

Een bijzondere manier van geluid produceren komt voor bij de boomsprinkhaan die met één (of beide) achterpoten op de ondergrond trommelt. Bij de sabelsprinkhanen en krekels bevinden de gehooropeningen zich vlak onder de knieën – in de schenen van de voorpoten (zie foto hiernaast). Daar bevindt zich aan de binnen- en buitenkant een ovaal gedeelte met een zeer dunne huid die als trommelvlies fungeert. Meestal ligt er een huidplooi met een kleine, spleetvormige opening over het vlies. Bij de veldsprinkhanen is de gehooropening zichtbaar als een half-cirkelvormige uitsparing op de zijkant van het eerste achterlijfssegment, vlak boven de basis van de achterpoten.

Soorten geluid

Afhankelijk van de sociale omstandigheden waarin een zingend dier verkeert, wordt een bepaald type geluid voortgebracht. We onderscheiden roepzang, antwoordzang, rivaliseergeluid, baltszang en overige geluiden. De roepzang is het normale geluid dat een mannetje produceert zonder dat sprake hoeft te zijn van interactie met soortgenoten. Het horen van roepzang kan stimulerend werken op mannelijke soortgenoten, waardoor koorzang kan ontstaan. In de natuur is de roepzang veruit het meest te horen. De antwoordzang kan worden geuit door vrouwtjes, als reactie op de roepzang van een mannetje. Meestal lijkt de antwoordzang op de roepzang, maar is zachter en korter. Antwoordzang is in de natuur zelden te horen, maar komt voor bij o.a. Chorthippus en de struiksprinkhaan. Het rivaliseergeluid wijkt af van de roepzang en wordt alleen voortgebracht als twee of meer mannetjes te dicht bij elkaar komen en elkaar horen, zien en/of voelen. Bij de krekels is het rivaliseergeluid in het algemeen langer dan de roepzang. Bij de veldsprinkhanen en sabelsprinkhanen is het rivaliseergeluid juist vaak korter dan de roepzang. Enkele soorten hebben de neiging door te gaan met de roepzang en daarnaast af en toe een kort rivaliseergeluid te laten horen. Soms is het niet goed mogelijk een scheiding te maken tussen rivaliseergeluid, roepzang en storingsgeluid. Bij de meeste soorten is het rivaliseergeluid in het veld niet vaak te horen. Bij de Krasser kunnen we dit echter geregeld waarnemen. Als een mannetje en vrouwtje in elkaars nabijheid zitten kan het mannetje een baltszang voortbrengen. In het algemeen zijn hierin elementen van de roepzang te herkennen. Baltszang is echter minder luid dan roepzang en gaat soms gepaard met specifieke gedragingen. Bij verstoring produceren diverse soorten (meest) korte, felle storingsgeluiden. Dat komt voor bij sterk rivaliserende mannetjes of als een mannetje bij de paring met lastige soortgenoten te maken krijgt. Bij de veldsprinkhanen kunnen ook vrouwtjes storingsgeluiden laten horen als ze door zingende mannetjes worden benaderd. Bij veldsprinkhanen gaat het meestal om een korte stridulatiebeweging of scheenschoppen (het met grote snelheid naar achteren zwiepen van de achterschenen), hetgeen niet altijd geluid maakt.

Functie van het geluid

De belangrijkste reden van de zang van sprinkhanen en krekels is het contact tot stand brengen tussen de beide geslachten van de eigen soort. Door middel van de roepzang maakt het mannetje het vrouwtje er op attent waar hij zicht bevindt en dat hij paringsbereid is. In verband met deze functie zingen alleen volwassen dieren. Hoe de volwassen dieren elkaar vinden met behulp van de zang is verschillend voor veldsprinkhanen aan de ene kant en krekels en sabelsprinkhanen aan de andere kant. Mannetjes van veldsprinkhanen verplaatsen zich roepend en paringsbereide vrouwtjes antwoorden op de roepzang van het mannetje. Het kan dan komen tot een dialoog tussen de partners, waarbij het mannetje op het antwoordende vrouwtje toe loopt. De eerste paar dagen na de laatste vervelling zijn de jonge vrouwtjes helemaal niet bereid tot paring, zelfs niet met baltsende mannetjes. Ze weren mannetjes door met hun schenen naar achteren te schoppen of springen weg. Daarna volgt een fase van enkele dagen waarin ze bereid zijn te paren met baltsende mannetjes. Indien ze dan nog niet bevrucht zijn volgt een periode waarin ze antwoorden op de roepzang van een mannetje en ook een copulatie toelaten zonder dat er baltszang nodig is. Na een copulatie is het vrouwtje niet ontvankelijk tot de eileg geheel of ten dele achter de rug is. Daarna is ze door baltszang weer aan te zetten tot copulatie. Mannetjes van de meeste sabelsprinkhanen en krekels blijven tijdens het roepen op één plek zitten en wachten af tot er een vrouwtje op hun roepzang afkomt. De vrouwtjes antwoorden – behalve bij de Struiksprinkhaan – niet op de mannetjes. Om de vrouwtjes van grotere afstand te lokken roepen de mannetjes meestal luid en vanaf markante plekken. Hiertoe zoeken ze elkaar vaak op en zingen afwisselend (alternerend) of in koor. Een vrouwtje kan zo’n groep door het luidere geluidsvolume makkelijker vinden in een groot gebied. Van sommige soorten is bekend, dat de vrouwtjes mannetjes prefereren met bepaalde zangkwaliteiten. Zo kunnen vrouwtjes van enkele soorten het grootste en/of meest vitale mannetje vinden aan de hand van de zang. Deze mannetjes bezitten genen voor een sterk nageslacht en kunnen ook de grootste spermatofoor overdragen. Het is bevorderlijk voor de eiproduktie van het vrouwtje om een grote spermatofoor te bemachtigen. Hoewel verschillende soorten in koor roepen, heeft de roepzang met name bij sabelsprinkhanen ook een functie in het op afstand houden van andere mannetjes. In het veld roepen de mannetjes veelal op een zekere minimumafstand, die bepaald wordt door het geluidsniveau van de meest nabije buren. Er is bij sommige soorten zelfs sprake van concurrentie om de betere zangposten.

Het maken van geluid kan echter ook negatieve gevolgen hebben. Zo zijn sommige parasieten en predatoren in staat om hun prooi te lokaliseren aan de hand van het geluid. Manieren waarop sprinkhanen deze risico’s beperken zijn: (1) Zingende mannetjes zitten goed gecamoufleerd. Een nadeel is dat sommige predatoren gespecialiseerd zijn in het vinden van vrouwtjes (bij sabelsprinkhanen en krekels) die op het geluid van de (onbeweeglijke of verstopte) zingende mannetjes afkomen (2) Door alleen in de avond en nacht te zingen wordt de kans verkleind om gevonden te worden door predatoren die ook hun gezichtvermogen nodig hebben om hun prooi op te sporen zoals bv. vogels. (3) Door voldoende stiltes in de zang te laten vallen om goed te kunnen luisteren naar eventueel naderend gevaar. (4) Door snel stil te vallen bij het minste geluid of de geringste trilling van het substraat. (5) Door minder goed te lokaliseren geluid te produceren. Dit kan door alternerend te zingen of in koren. Hierdoor zijn individuele dieren niet goed te vinden. Ook korte, onregelmatige en hoogfrequente geluiden zijn voor predatoren minder goed te lokaliseren. (6) Door tijdens het zingen stil te blijven zitten en alleen geluidloos rond te lopen. (7) Door verborgen te zingen: in een hol, in een struik of net onder de top van een hoge plant.

Naar: Thys N., 2002. Sprinkhanen & Co. Natuurpunt Educatie, Turnhout, 75 p.