taxonomielevenscyclussprinkhanengeluidecologienatuurbeheer
natuurbeheer

Nagenoeg alle inheemse soorten sprinkhanen en krekels bewonen lage vegetaties en de overgangen hiervan naar bos. Als deze lage vegetaties aan hun lot worden overgelaten zullen ze spontaan evolueren naar bos. Aangezien de meeste sprinkhanensoorten niet goed of niet kunnen vliegen verdienen de aanwezige (rest)populaties voldoende aandacht. Daarnaast is de uitbouw van een netwerk van punt- en lijnvormige elementen (met voldoende grootte en kwaliteit) van groot belang voor het voortbestaan van (kritische) sprinhanensoorten. In het boek ‘De sprinkhanen en krekels van Nederland’ (Kleukers e.a., 1997) wordt het beheer voor iedere soort weergegeven en vind je bovendien info over het voorkeursbiotoop en biologische karakteristieken (substraat waar de eieren afgezet worden, ontwikkelingsduur van de eieren,..) waarmee je bij het beheer rekening kan houden zodat het biotoop geschikt blijft, voldoende eiafzetplaatsen (bv. stengels die niet (elk jaar) gemaaid worden) aanwezig zijn enz. Voor een optimaal ontwikkelde sprinkhanenfauna zou een terrein aan een groot aantal randvoorwaarden moeten voldoen. Het gaat dan met name om de aanwezigheid van (De sprinkhanen en krekels van Nederland, 1997) (1) onderling verbonden plekken met een warm meso- en/of microklimaat. (2) een afwisselende vegetatiestructuur die de dieren beschutting biedt tegen extreme weersomstandigheden en vijanden, maar voortbeweging en eileg niet belemmert. (3) overgangen van droge naar vochtige bodem. (4) een voldoende grote oppervlakte van geschikte biotopen.

Heide en stuifzandgebieden

Heide- en stuifzandgebieden zijn lange tijd vrij intensief gebruikt geweest als weidegrond en als grond om plaggen te steken. Dit resulteerde in voedselarme, schaars begroeide plekken met een warm microklimaat. Met name in deze eeuw is het microklimaat op de meeste heide- en stuifzandterreinen meer gematigd geworden door vergrassing, strooiselophoping en bebossing. Door middel van grootschalig plaggen of maaien is getracht deze ontwikkeling stop te zetten, maar dat heeft vaak geresulteerd in een nogal eenvormige vegetatiestructuur. Geplagde vegetaties blijken voor de meeste soorten sprinkhanen jarenlang ongeschikt te zijn.

Veel sprinkhanen hebben baat bij een extensieve begrazing die leidt tot een gevarieerde vegetatie. De nadelen van begrazing zoals het mogelijk uitblijven van een groot aandeel open bodem of het ontstaan van een korte, dichte vegetatie kunnen opgevangen worden door aanvullend kleinschalig plaggen of frezen. Plagstroken dienen niet breder te zijn dan 20 meter, maar in kleinschalige situaties is het beter een breedte van 1-3 meter aan te houden en vele plagstrookjes in elkaars nabijheid te leggen. Op plaatsen met veel opslag van bomen moet worden gedund. De aanwezigheid van struiken en bomen is met name belangrijk voor de Sikkelsprinkhaan en de Zadelsprinkhaan.

Schraalland en moeras

Het klassieke beheer van de schraallanden en moerassen namelijk jaarlijks in juni/juli de percelen integraal maaien heeft sterk negatieve effecten op de sprinkhanenfauna van schraallanden. Het resulteert voor veel soorten in een ongeschikte vegetatiestructuur, juist op het moment dat de dieren volwassen zijn en eieren moeten leggen. Voor veel ongewervelden is het beter om gefaseerd te maaien en/of steeds wisselende delen een jaar over te laten staan of pas zeer laat te maaien. Perceelsranden bij zonbeschenen bosranden kunnen minder intensief gemaaid worden. Verder biedt kleinschalig plaggen een kans op extra diversiteit in de vegetatiestructuur. Maatregelen ter voorkoming van (verdere) verdroging zijn eveneens belangrijk.