SabelsprinkhanenKrekelsVeenmollenDoornsprinkhanenVeldsprinkhanen

Krekels

Krekels herkennen we aan de antennes die even lang of langer dan het lichaam zijn én het ruggelings afgeplatte lichaam, de zeer lange, behaarde, gelede cerci (twee voeldraden aan het uiteinde van het achterlijf) en de tarsen (aan de scheen zit de voet die bestaat uit enkele tarsleedjes en vaak eindigt met een klauwtje) met 3 in plaats van 4 (zoals bij de sabelsprinkhanen) leden. Van de veld- en doornsprinkhanen onderscheiden ze zich ook door de lange sprieten. Krekels zijn circa 1 tot 3 cm groot en leven laag bij de grond in holletjes op kale grond (Veldkrekel), in de strooisellaag van bossen en struwelen (Boskrekel) of in huizen (Huiskrekel). Ze voeden zich vooral met dood organisch materiaal, maar ook met levende planten en dieren. Ze verraden hun aanwezigheid dikwijls door hun geluid (van ‘s namiddags tot ‘s avonds of ‘s nachts). De eieren worden los of in een cluster in de bodem gelegd en komen na 1 à 2 jaar tot ontwikkeling. De nymfe ondergaat ca. 10 vervellingen. Vrouwelijke krekels zijn in het bezit van een legboor. 

In Vlaanderen komen 4 soorten krekels voor. In België komt één extra soort namelijk de Boom- of Wijnkrekel voor. Mogelijk kunnen we de Mierekrekel nog verwachten. Recent komt de Wijnkrekel of Boomkrekel (Oecanthus pellucens) weer op enkele plaatsen in Wallonië voor. Dit is een sierlijke, kleine krekel met meestal een geelbruine kleur. Het halsschild is veel langer dan breed. De (gazige) voorvleugels reiken tot aan de achterknie en de achtervleugels steken achter de voorvleugels uit.

Aangezien deze soort zijn areaal (naar het noorden toe) aan het uitbreiden is en door de elkaar opvolgende warme zomers is het waarschijnlijk dat de Boomkrekel binnen enkele jaren tot de Vlaamse en Nederlandse fauna zal behoren. Een andere mogelijk te verwachten soort is de Mierekrekel. Dit is een zeer kleine (ca 2,5 mm), geelgekleurde krekel, zonder gehoororganen of vleugels. De Mierekrekel leeft in mierennesten, waar ze zich voeden met een wasachtige afscheiding van de mieren en mogelijk ook met mierenbroed. Er bestaat een kleine vorm – die alleen bij kleine mieresoorten voorkomt – en een grote vorm – die als nimf bij kleine mieresoorten voorkomt en als volwassen dier bij grotere soorten. Om de soort te zoeken moet men in mierennesten zoeken, waarbij platte stenen omdraaien de meest efficiënte methode is.